Om u de beste gebruikservaring te kunnen bieden, gebruiken wij cookies. Voor meer inhoudelijke informatie en het onderscheid die wij hier in maken, verwijzen wij u door naar ons Cookie beleid

Accepteer cookies

Ingezonden stukken



door de heer Cor Vierijzer

Rode rijers.
Toen ik zeven jaar werd kreeg ik in 1956 van mijn vader een in Canada vervaardigde vishengel. Het was een bamboehengel met tuig verpakt in een plastic hoes. Het tuig bestond uit een lijn met dobber en een drietal kunstvliegen. Ik vond het vreemd om met die fel gekleurde veertjes op een haakje gebonden te gaan vissen.
Ik rijd op mijn aangepaste damesfiets naar Elburg en zoek bij de haven een rustig plekje op de kade. Haal de hengel uit de verpakking. Kies een vlieg uit en bind hem aan de lijn. De schaduwen van de gebouwen weerspiegelen in het water. In het midden drijven een paar gekleurde olievlekken. Op de scheepswerf wordt een botter gebreeuwd. Aan de zijde van het toegangskanaal liggen er een paar afgemeerd, waarop mannen met netten en kurken in de weer zijn. Ik werp de dobber met de vlieg in het water. De vlieg en de loodjes zakken weg en trekken hem recht Ik haal hem zo nu en dan op en werp opnieuw in. Een half uur lang zie ik geen enkele beet Mijn aandacht wordt getrokken door een botter die op het kanaal aan het laveren is. Het is een prachtig gevecht om de wind te slim af te zijn. Ik kijk weer voor me en zoek de dobber. Hij is verdwenen, Ik haal op en bemerk een lichte weerstand. Tot mijn verbazing heeft een ruisvoorn toegebeten. In het lege boterhamzakje neem ik de vis mee naar huis. Mijn moeder heeft hem in de schuur schoongemaakt, gepaneerd en gebakken. Achter ons huis in Doornspijk heb ik op het bankje mijn eerste gevangen vis gegeten.
Ruim 25 jaar later rijd ik met de auto van Utrecht naar Driebergen. Het is een zeldzame mooie zomeravond. Het is windstil en drukkend warm. Ik rijd door Bunnik en passeer de brug over de Kromme Rijn. Iets in mij zegt dat ik moet stoppen. Ik parkeer de auto en open de achterklep. Pak mijn vliegenhengel en loop naar een klein poeltje wat in verbinding staat met de rivier. De oppervlakte is bedekt met waterplanten. Gele plomp en een enkele waterlelie geven het kleur. Op sommige plekken groeit riet Hier en daar een plekje open water. Welke Vlieg? Ik pak een Red Tag en bind hem aan de leader en breng vervolgens de lijn op lengte om hem in een van de open plekjes te werpen. Ik mis en de vlieg landt zachtjes op een plompenblad. Voorzichtig trek ik de vlieg eraf. De vlieg zinkt en de lijn wordt op een onnatuurlijke manier schuin weggetrokken. Ik sla aan en voel dat het een grote vis is. De vis trekt schokkend aan de lijn en ik ben bang dat de leader breekt Het duurt ruim een minuut voor de vis in het net verdwijnt Het is een grote goudgeel geschubde ruisvoorn met prachtige rode vinnen en helder gele irissen. Zo groot als een kleine karper. Ik schat hem boven de 35 cm. Zijn rug is polsdik. Voorzichtig haal ik de Red Tag uit zijn bek en nadat ik hem nog even bekeken heb zet ik hem vol ontzag terug.
Ik ben nu 64 jaar en in de tussenliggende jaren heb ik nog heel wat rode rijers gevangen, maar deze twee zijn mij altijd bijgebleven!